Caribseek | eMail

Search Caribseek   


Caribseek Kaleidoscope

 eMail Article | Print Article Search Kaleidoscope

‘Uitgespeeld Raak Ik Nooit'
door Jacqueline Hooftman


Jong Eligio

Was Nederland een fiasco voor Eligio Melfors alter ego Dois en zijn  vriend Gachi, de hoofdrolspelers in Ulanda mi ta bai, de recente tournee langs tien Hollandse theaters is de 63-jarige acteur en auteur van meest komische toneelstukken goed bevallen. “Ik stond versteld van de reacties”, zegt Melfor. “Zodra ik het toneel opkwam, begon het publiek te klappen en te juichen, nog voordat ik een woord gezegd had.” Volle zalen trok hij, bijna tienduizend mensen in totaal. Melfor kan er, sinds een week terug op Curaçao, nog niet over uit. “On-ge-lófelijk”, zegt hij, “dat zoveel mensen mij nog van vroeger kennen, en dat ik in Nederland zo populair ben.”

 

“Als kind droomde ik ervan zanger te worden, net als Elvis Presley. Van ons huis aan de St. Helenaweg (Seru Pretu, red) liep ik dikwijls de heuvel op, met mijn vriendjes of alleen - broertjes of zusjes had ik niet - naar een plek waar je mooi uitzicht had over Wishi en Marchena. Dat was mijn ‘droomplek’, daar fantaseerde ik en dacht ik na over hoe ik zanger kon worden.

Aan het eind van de mulo, ik was zeventien jaar, zag ik mijn kans schoon. Het Marnix College sloot het schooljaar af met een voorstelling voor leerlingen en ouders. Ik besloot mee te doen en schreef een liedje over een meisje waar ik al twee jaar stiekem verliefd op was. Daar stond ik, in mijn eentje op het podium, voor driehonderd mensen. Ik zong: “Rosalinda was haar naam, ze was zo wonderschoon, zwarte haren en een kleine rode mond, en ze liep op de maat van een kleine tijgerkat…” In de zaal begonnen mensen te lachen, mijn vrienden, Rosalinda, iedereen lachte. Ik zong als een krekel zo vals.

Natuurlijk was ik teleurgesteld, maar toen ik al die vrolijke gezichten voor me zag, dacht ik: als ik geen zanger kan worden, dan word ik wel komiek.”

 

U hield er geen podiumvrees aan over?

“Nee, ik vond het geweldig om op het podium te staan en vooral voor zoveel mensen. Dus toen ik een paar weken later thuis een brief kreeg, getypt en wel, waarin ik werd uitgenodigd om auditie te doen voor televisie, wist ik niet hoe snel ik mijn vrienden het nieuws moest vertellen. Er was destijds nog geen televisiestation op Curaçao, maar er werd alom over gesproken dat er een zou komen. Ik voelde me uitverkoren. 

Op 28 juni, ’s ochtends om acht uur, werd ik verwacht bij Radio Curom. Die dag was ik al heel vroeg op. Ik trok mijn nette pak aan, pakte mijn gitaar en liep naar het huis van mijn vriend Yvo en dat van een stel andere vrienden. Zij hadden mij geholpen met mijn presentatie, een week lang waren we dagelijks de heuvel opgegaan om daar te oefenen. 

Ze waren net zo enthousiast over de auditie als ik. Een half uur te vroeg kwamen we te voet, want geld voor de bus hadden we niet, aan bij het gebouw van Curom aan het Waaigat. Bovenaan de trap schoof iemand een luik open en ik zei: ‘Ik kom een voordracht geven voor televisie.’ De portier keek me niet begrijpend aan. ‘Kiko?!’ Ik liet hem de brief zien, maar hij schudde het hoofd. ‘Dan ben je hier verkeerd.’ Zwijgend liepen we terug richting Marchena. 

Over een auditie vernam ik niets meer, totdat een van mijn vrienden naar me toekwam en zei: ‘We hebben je gefopt.’ Ik kon het niet geloven, dat ze al die molèster hadden genomen om dagenlang met me te oefenen en die ochtend naar de stad te lopen. ‘Jullie hebben me mooi beetgenomen’, zei ik, ‘maar ik zal je vertellen: alles wat jullie in die brief hebben geschreven, dat ik talent heb en bekend zal worden, ik ga het waarmaken, jullie zullen het zien.’”

 

U hééft het waargemaakt. Wat zeggen die vrienden van toen daarvan?

“Helaas leven ze niet allemaal meer. Yvo wel, die is advocaat op het eiland. Als ik hem tegenkom, is het eerste wat ik zeg: ‘Heb je ’t gezien? Ik zei het toch.’ Dan lachen we.”

 

Wat was uw eerste doorbraak?

“Elke donderdag was er op Radio Hoyer een programma waarin gedichten werden voorgedragen. ‘Dat kan ik ook’, dacht ik en schreef een gedicht over Chapotin, een populaire Cubaanse muzikant. Na mijn voordracht kreeg ik een daverend applaus van de mensen in de studio. De directeur kwam naar me toe en zei: “Mijn zoon, dat moet je vaker doen. Kom elke donderdag.” En dat deed ik. In die periode heb ik verschillende fabels gemaakt die heel populair zijn geworden. Ook imiteerde ik geluiden. Van een trommel bijvoorbeeld. ‘Rakatakatak, boemtsjieboem.’”

 

Verdiende u daar een inkomen mee?

“Nee, geen cent, ik deed het gewoon graag. Later zijn veel van die hoorspelen op plaat uitgebracht, duizenden zijn ervan verkocht, maar toch leverde dat niet veel op.

Thuis hadden we het niet breed. Mijn vader was schilder en moeder deed het huishouden, en ik ging, zoals zoveel mensen in die tijd, werken bij Shell. Tien jaar lang, maar mijn hart was er niet bij, ik droomde van het theater.

Mijn collega’s lachten me uit. Ik danste tussen de oliepijpen, zong en trok grimassen. Hele toneelstukken voerde ik op in mijn hoofd. Tot op een dag een kraan knalde en een straal gloeiend hete olie rakelings langs mijn gezicht spoot, maar nog wel mijn rechterarm en -zij verbrandde. Ik viel op de grond. Een collega trok me onder de oliestraal vandaan. 

Een maand lag ik in het ziekenhuis en leed helse pijn. Het ongeluk was mijn eigen schuld, vonden ze bij Shell, en ik kreeg geen vergoeding. 29 jaar was ik en inmiddels enkele jaren getrouwd. Ik wilde niet terug naar de raffinaderij, en hoewel mijn vrouw daar niet blij mee was, die wilde financiële zekerheid, hield ik vol. Kort na mijn ontslag uit het ziekenhuis vond ik, dankzij mijn mulo-diploma, een administratieve baan bij Texas Instruments.”

 

Dat was ook niet waar u wilde zijn.

"Toen hij hoorde wat ik bij de radio deed en intussen ook aan het toneel, zei een Amerikaanse medewerker van het bedrijf: ‘Wat dóe jij hier? Verspil je talent niet, maar begin voor jezelf.’

Veel mensen kenden mijn stem van de radio en naarmate ik vaker optrad, eerst in het recreatiecentrum van Shell, later in het voormalige Roxy-theater in de stad, leerden ze mij ook van gezicht kennen. Op straat werd ik regelmatig aangesproken, ik genoot van  mijn bekendheid en wilde meer. Ik besloot het advies op te volgen en begon voor mezelf.”

 

Betekende dat het einde van het huwelijk?

“Het ging al langere tijd niet goed tussen ons. Er was veel machismo, daardoor is ons huwelijk stuk gelopen.”

 

U bedoelt, u had andere vrouwen?

“Ja, aan één vrouw had je als man niet genoeg. Hoe meer meisjes je had, hoe meer man je was, met dat idee groeiden jongens op en ik vond, net als mijn vrienden, dat het mocht. Om indruk te maken. Dat was ook de reden dat we in grote auto’s reden, we wilden showen en gezien worden.

Mijn vrouw dacht daar anders over, natuurlijk, en we hadden constant ruzie. Ik was blij toen we uit elkaar gingen. Maar na drie, vier maanden begon ik haar te missen. Zoveel, dat ik weer bij haar aanklopte om het goed te maken. Toen hield zij de deur dicht en ik dacht: ‘Als jij me niet meer wilt, dan ga ik weg, weg van het eiland.’”

 

Ulanda mi ta bai.

“Precies. Ik ging naar Terneuzen (zo ook in het toneelstuk, red), daar had ik familie. Als snel ontdekte ik dat ik het helemaal niet leuk vond in Nederland. Op Curaçao word je op straat gegroet, maar in Nederland loopt iedereen je voorbij, niemand bemoeit zich met je. Ik voelde me alleen.

Laat ik maar wat boeken kopen, dacht ik op een middag, en vond een boek met de titel ‘De gedresseerde man’, geschreven door een Argentijnse die een tijd in Duitsland woonde. Ze beschrijft in het boek hoe vrouwen zijn, wat voor hen belangrijk is in het leven, de liefde. En wat ze van een relatie, een huwelijk verwachten. Ik heb het in één ruk uitgelezen. Geweldig, vond ik het, ik begon te begrijpen wat er in mijn relatie fout was gegaan.

Toen ik het boek uit had, vroeg ik een vriend: ‘Hoe is het met jouw huwelijk’, waarop hij antwoordde: ‘Verschríkkelijk.’ Toen pas besefte ik dat ik niet de enige was, tot die tijd was ik alleen maar bezig geweest met het idee dat ik had gefaald. Ik pakte pen en papier en begon te schrijven aan een toneelstuk: De Geëmancipeerde Vrouw. Toen het af was, twee maanden nadat ik in Nederland aankwam, keerde ik terug naar Curaçao.”

 

Ging de deur deze keer wel open?

“Tot een relatie is het niet meer gekomen, nee, maar ik was nu wel in staat om haar recht in de ogen aan te kijken en het uit te praten. Later ben ik een andere vrouw getrouwd, we hebben een dochter van 24 jaar, Raila. Zij studeert fiscaal recht in Nederland.”

 

Wat is er geworden van De Geëmancipeerde Vrouw?

Eligio Melfor: “Ken je dat niet? Dat stuk was een enorm succes, halverwege de jaren zeventig. Het Roxy-theater was avond aan avond uitverkocht. Die geëmancipeerde vrouw heeft ervoor gezorgd dat ik voor het eerst van mijn leven goed geld verdiende. (lacht) Het stuk opent met een vrouw die de schoenen van haar man aan het poetsen is. ‘Zijn mijn schoenen klaar?’, roept hij, terwijl hij zich aankleedt voor een feest. “Doe je best, schatje”. Als zijn vriend hem komt halen, zegt zij dat ze ook mee wil, maar hij vindt dat ze niet moet zeuren. Wanneer hij weg is, krijgt zij bezoek van een vriendin van wie de man ook naar het feest is. Na afloop vinden de mannen hun vrouw niet thuis. Ze begrijpen er niets van. De vrouwen in de zaal begrepen het wel, die stootten hun mannen aan en je hoorde ze zeggen: ‘Kijk, zo zijn jullie.’”

 

De moraal van het verhaal, hoeveel waarde hecht u daaraan?

Beberin

Eligio Melfor: “Het moet ergens over gaan. In mijn stukken zit altijd een boodschap, soms gedurfd, controversieel, soms bevestigend, maar altijd op een speelse manier gebracht. Als toeschouwer word je op het andere been gezet, waardoor je moet gaan nadenken en ziet: ‘Hé, daar zit wat in.’

Je hebt vast wel gehoord van het personage Beberín, een oude vrouw die op alles en iedereen commentaar heeft. In ‘Beberín den polítika’ neemt zij het heft in eigen hand en gaat campagne voeren. Ze trekt de meeste stemmen naar zich toe, maar regeren doet ze niet, in plaats daarvan laat ze de politici naar zich toekomen en zegt hen wat ze moeten doen. Als ze er dan toch nog een potje van maken, klopt op een dag een hond bij Beberín aan. De hond kan praten en zegt dat de dieren het bestuur van het eiland willen overnemen van de mensen. Bij de Eilandsraad aangekomen, wil de bok het woord voeren. ‘Dat kan niet’, zeggen de politici. ‘Jawel hoor’, zegt de bok, ‘als mensen beestachtige dingen zeggen, dan mogen beesten ook spreken.’

Afgezien van de dierfiguren, zocht ik voor politieke satire naar mensen die veel op een van onze politici lijken. Zo vond ik een Don Martina, een Miguel Pourier, een Maria Liberia-Peters. Zodra de acteurs opkwamen, gaf de zaal blijk van herkenning en was de toon gezet.

Ik zou het zo weer willen doen, vooral de voorstelling met de dieren. Maar helaas is de man die de maskers voor mij maakte overleden. Ik zoek nog naar iemand die een goede bok van mij kan maken.”

 

Een oude bok, nog even koppig en vastberaden...

“Ik kan het niet laten, hoor, de verhalen komen vanzelf in me op. Over opa Dois – dat ben ik – die allerlei avonturen beleeft. Een kinderserie voor televisie moet het worden. Ook werk ik aan jongerentheater, ik wil veel voor de jeugd gaan schrijven. De laatste tijd ga ik weer veel naar mijn huis op Banda’bou. Sinds mijn dochter naar het vwo ging, wonen we in Brievengat, maar ik houd van Banda’bou. Vroeger, toen er nog familie in het huis woonde, bracht ik er alle schoolvakanties door. Nu wordt het bewoond door mijn moeder, die 96 jaar is, en kom ik er bijna elke dag. Dan ga ik de heuvel op, luister naar het fluiten van de vogels en snuif de lucht op. Als ik daar zit, op die plek met goed uitzicht over het dal, is het weer zoals vroeger en ben ik weer jong.

Mijn jeugd was zo mooi. Er was armoede, dat wel. Ik kan me herinneren dat we op Banda’bou de mondi in gingen om ala blanka te schieten voor het avondeten. Toch heb ik niets gemist, alles was een avontuur. Als kind waren we vrij om te spelen, en ik ben en zal dat mijn hele leven blijven doen. Uitgespeeld zal ik nooit raken, in ieder geval niet in mijn hoofd.”

 

Dit artikel is eerder verschenen in Amigoe Ñapa van 13 maart 2004 en wordt hier geplaatst met dank aan Amigoe

Content © Amigoe 2004 - All Rights Reserved

You may bookmark this web page, print it or e-mail it to a friend in accordance with the fair-use provisions of copyright laws. The text is intended solely for the use of the individual user.
Archiving, redistribution, or republication of this text on other terms, in any medium, requires the express written permission of the author or publication and the notification of the editors of CaribSeek Kaleidoscope.

 

Advertisement

Search Articles

Copyright © Caribseek 2004 - All Rights Reserved - Web Published: Apr 22, 2004 - 12:08