Het is in het begin van de zeventiende eeuw – vermoedelijk rond het jaar 1600 – dat Diego geboren is in Havana, Cuba. Hij was de zoon van een vrije zwarte vrouw en een Hollandse scheepskapitein. De achternaam van zijn moeder was De los Reyes, dus Diego heette Diego de los Reyes. In zijn jonge jaren werd hij vaak Dieguillo genoemd, het verkleinwoord van Diego. Wel is het zo dat later zijn familienaam vaak door de Spanjaarden verward werd met die van anderen en dan werd hij aangeduid als Diego Martín, Diego de la Cruz of Cornieles (Cornelis). Deze laatste naam waarschijnlijk afgeleid van een Hollandse admiraal Cornelis Jol, wiens bijnaam ‘Houtebeen’ was of in het Spaans Pie de Palo of Pata de Palo, onder wiens vlag Diego jarenlang tegen de Spanjaarden heeft gevochten.
Spaanse documenten vermelden dat Diego door de Hollanders was groot gebracht. We zien dan ook dat hij heel jong van Havana naar Holland is vertrokken – hoe hij daar gekomen is weten we niet – waar hij zijn vader ontmoet. Zijn vader Hendrik Jacobzoon Lucifer erkent hem en geeft hem de naam Jacob Hendrikzoon Lucifer. Diego gaat studeren en krijgt een opleiding tot stuurman. Een studie die in die tijd een van de zwaarste was die toen bestond. Na zijn opleiding nam hij in 1627 het commando over van het schip Ter Veere, dat van zijn vader was en die in datzelfde jaar was gestorven, en vertrekt naar het Caribisch gebied, waar hij de schrik van de Spanjaarden werd. Jarenlang was hij daar zeer actief. Het schip van Diego maakte bijvoorbeeld deel uit van de vloot van Piet Hein, die in 1628 de Zilvervloot veroverde op de Spanjaarden.
In de maand augustus van het jaar 1653 voer een vloot van tien schepen voor de rede van Campeche in het tegenwoordige Mexico. Ze leken op koopvaardijschepen totdat, met het hijsen van de eigen vlag, zij kleur bekenden. De bemanning van de schepen bestond uit Hollanders, Fransen, Engelsen en enkele Portugezen die allemaal onder bevel stonden van Pie de Palo en Diego El Mulato. Vijfhonderd man gingen bij San Román aan wal en vielen het centrum van het stadje aan. Tijdens deze gevechten verloren beide zijden veel manschappen, waarvan wij slechts van één de naam kennen. Aan de Spaanse zijde viel namelijk kapitein Domingo Galván Romero, peetoom van Diego El Mulato bij zijn doop in Cuba. Ooggetuigen hebben gemeld dat Diego hierdoor zeer ontdaan was. Diego had ook zekere roem als gentleman-piraat. Vlak voor de brandschatting van Campeche zorgde hij ervoor dat Doña Isabel de Caraveo, weduwe van de gouverneur van Campeche, vergezeld van de persoonlijke lijfwacht van Diego, buiten Campeche werd gebracht waardoor zij de plundering en wat dies meer zij kon ontvluchten. Zij zal Diego zeer dankbaar geweest zijn.
Veroveren
Ons eiland Curacao werd in 1634 aangevallen door een Hollandse vloot. De (eerste) West-Indische Compagnie zag de haven van Curaçao als een perfecte basis voor aanvallen op de Spaanse bezettingen en wilde het veroveren. Deze vloot van vier schepen, onder bevel van Johan van Walbeeck – door de Spanjaarden Balbeque genoemd – zeilde de St. Annabaai binnen op 28 juli 1634. De militaire leiding, dus de leiding over de troepen, was in de handen van de Fransman Pierre Legrand. Als er een eskader gevormd werd door de Hollanders om tegen de Spanjaarden oorlog te voeren, zien we vaak dat Diego aangesteld werd als eerste stuurman. Hij kende het Caribisch gebied en had daar jarenlang operaties uitgevoerd. Hij stond bij de Spanjaarden bekend als ‘de stuurman van de Hollanders’.
Ook bij de aanval op Curaçao was hij eerste stuurman van admiraal Van Walbeeck. Bovendien kreeg hij op 30 juli 1634 de leiding over zeven sloepen met landingstroepen en was hij de eerste die voet zette op Curaçao. Na enige schermutselingen met de weinige op het eiland aanwezige Spanjaarden – schermutselingen waaraan ook Pierre Legrand meedeed – gaven de Spanjaarden zich over. Samen met een groot aantal indianen werden zij op transport gezet naar de kust van Venezuela, waar ze vrij werden gelaten.
In verdere documenten die te vinden zijn in de Archivos de Sevilla lezen we dat Diego in 1635 trouwde met een Hollandse vrouw en zich had gevestigd op Curaçao. Diego heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een van de meest gevreesde vijanden van de Spanjaarden. Zo was hij in 1638 betrokken bij de zeeslag van Cabañas waarbij zes schepen op de Spanjaarden werden veroverd. Blijkbaar is Diego El Mulato in deze jaren zeer succesvol geweest, want op een gegeven moment had hij het bevel over acht schepen, waarvan vijf in de haven van Curaçao lagen en drie op rooftocht waren op de kusten van Centraal-Amerika. Uit de geschiedenis van Belize weten we ook dat Diego El Mulato het stadje Bacalar in 1642 heeft veroverd en gebrandschat.
Of Diego een natuurlijke dood is gestorven of dat hij in de strijd tegen de Spanjaarden is gesneuveld, weten we niet. Sommige Spaanse historici menen te weten dat Diego in het jaar 1673 gevangen is genomen door de Spanjaarden en door hen als piraat is veroordeeld en opgehangen. Maar misschien is hier sprake van dat de wens de vader van de gedachte is.
Daarna valt de stilte der eeuwen als een donkere mantel over Diego, zodat zelfs Curaçao hem is vergeten.
Afro-Curaçaos
Diego heeft jarenlang op Curaçao gewoond en Curaçao als basis gebruikt voor zijn aanvallen op de Spaanse schepen en bezittingen. Zou men Diego nu een yu’i Kòrsou kunnen noemen? De bevolking van Curaçao zal in die tijd erg klein zijn geweest met een groot gebrek aan huwbare vrouwen en van een afro-Curaçaos bevolkingsdeel zal amper sprake zijn geweest. Toch hebben we redenen om aan te nemen dat na een kort aantal jaren de weinige bewoners een nauwe emotionele binding voelden met hun eiland. Het navolgende moge dat illustreren.
De ‘Maestro de Campo’ van de Spanjaarden, Don Joaquín de Belgarra, schrijft op 11 december 1642 aan Peter Stuyvesant, gouverneur van Curaçao, als volgt: “Van Coro uit heb ik u achtervolgd om paal en perk te stellen aan de schade die u met zo weinig eerbied aanricht in de landen van mijn koning en heer. Het zal u geraden zijn om de buit in de steek te laten en u in te schepen; want als u dat niet doet, dan zal ik onmiddellijk met het krijgsvolk dat ik hier heb en dat hetwelk ik hier verwacht, de verdediging op mij nemen. God behoede u. Ik verwacht het antwoord in het Spaans, want er is hier niemand die het Latijns verstaat.”
Aan deze brief treft men nog de navolgende opmerking aangehecht: “Heden is er bericht ingekomen, dat de vijand met de adviesboot en de sloepen was teruggekeerd naar Dicora, een haven die acht mijlen dichter bij deze plaats (San Román) ligt, bij de kudden van Pater Quero en zijn broer. Ik ben er niet op uitgetrokken om uit te vorsen in welke toestand hij zich bevindt of wat hij er uitvoert, omdat men zegt, dat de verdediging van velden en kudden niet tot de dienst van Zijne Majesteit behoort. Het is voor mij duidelijk, dat de behoefte aan voedsel, waaraan hij lijdt, hem dwingen zal om hierheen te komen en hij zal dan doen was hij wil.”
Stuyvesant laat daar geen gras over groeien, maar schrijft nog dezelfde dag (in het Spaans) een brief terug, waarin de volgende zinsnede voorkomt: “De landing met mijn krijgsvolk geschiedt uit wraak over de verliezen die wij op het eiland Bonaire geleden hebben, waar de heer gouverneur van Caracas, tegen alle krijgsgebruiken in, bevel gegeven heeft om een getal van zeventig paarden te doden, die hem noch mij van enig nut zijn. Uit wraak daarover heb ik deze hoeve aan mijn soldaten overgegeven, opdat zij zich daar eens te goed kunnen doen. Als Baron daarvoor schadevergoeding verlangt, dan moet hij die maar gaan vragen aan de heer gouverneur van Caracas. Wat de krijgsgevangenen betreft, die ik heb, ik zal u die zonder enig bezwaar vrij geven, maar laat mij rustig de geiten laden, waarvoor ik twee dagen nodig heb. Indien u echter bij deze gelegenheid met het krijgsvolk, dat u daar tot uw beschikking heeft, de proef wilt nemen van wat de zonen van Curaçao met Gods hulp en in dienst van Hollands wapenen en die van de edele Prins van Oranje zullen kunnen tot stand brengen, dan zullen wij uw komst met grote moed afwachten.”
‘Zonen van Curaçao’ wordt in het oude Spaans van de zeventiende eeuw geschreven als Yxos de Curasao. Interessant is ook te weten dat ongeveer driekwart mijl boven de wind van de haven van Cumarebo (in het tegenwoordige Venezuela) een haven lag welke de naam droeg El puerto de los Curasaos.
Ironie van het leven is dat wij altijd met grote zekerheid meenden te weten dat het begrip yu’i Kòrsou een uitdrukking in het Papiamentu was die je niet kon vertalen. Niemand heeft ooit gesproken over een ‘zoon van Curaçao’. Nu echter blijkt – historisch aantoonbaar – dat dit begrip voor het eerst gebruikt is door een Hollander die – nota bene – Spaans schreef.
De enige vraag die nog overeind blijft staan is: heeft Stuyvesant terecht of ten onrechte dit begrip gehanteerd? Men mag aannemen dat acht jaar na de verovering van Curaçao op het eiland nog geen Papiamentssprekend bevolkingsdeel op ons eiland aanwezig was. Het eiland was amper bevolkt. Dus er was ook niemand die Stuyvesant kon tegenspreken. Bovendien was hij in een positie, dat hij heel goed de gevoelens van zijn mede-eilandbewoners kon peilen. Wij weten uit de documenten dat Diego El Mulato Curaçao als zijn woonplaats en thuishaven beschouwde en hoewel hij niet op Curaçao was geboren, zijn lot aan die van Curaçao was verbonden. Waarom zou Diego dan niet de eerste Curaçaoënaar kunnen zijn. Tenslotte was hij de eerste die voet aan wal zette bij de verovering van Curaçao in 1634.
Literatuur:
Roos, Doeke
Zeeuwen en de West-Indische Compagnie (1621-1674) door Doeke Roos Hulst: Van Van Geyt Productions, 1992
Wright Irene A.
Nederlandse zeevaarders op de eilanden in de Caraïbische Zee en aan de kust van Columbia en Venezuela gedurende de jaren 1621-1648(9): documenten hoofdzakelijk uit het Archivo General de Indias te Sevilla/ Irene A. Wright; vert. (uit het Spaans) C.F.A. van Dam. Utrecht: Kemink en Zoon N.V., Dl. I 1621-1641, 1934. Dl. II 1635-1648(9), 1935.
Kupperman, Karen Ordahl
Providence Island 1630-1641: The other puritan colony/Karen Ordahl Kupperman – Cambridge (etc.): Cambridge University Press, 1995
Internet - Google.com: Diego El Mulato
Dit artikel was gepubliceerd in Amigoe Ñapa op 22 november 2003.